De fiets

Achterop op vaders fiets
lag ooit het paradijs
zijn jas schuurde een ietsepiets
maar ik genoot, heel eigenwijs
want met mijn wang tegen zijn jas
wist ik dat ik daar veilig was
de remmen knarsten bij elke bocht
waar ik mijn evenwicht terugzocht,
mijn armen om zijn middel knelde
als hij vol kracht opnieuw versnelde
stormwinden, hagel of regen
niets hield vaders fiets ooit tegen
geen kapotte lamp of ketting af
geen platte band die het begaf,
hij bracht me waar ik wezen moest
die fiets is nu heel doorgeroest
en ik zie wat ik toen niet zag
wat mijn vader deed, in één oogopslag
soms mét en soms tegen mijn zin,
trapte hij mij de toekomst in
die fiets vervoerde mij telkens weer
maar bij vader raakt hij niet meer
kon ik nog maar één keer,
als dat mogelijk was
met mijn wang tegen die jas
emilypuck, 2020