Solstice

211220

Ik zit een beetje beduusd te kijken naar alles wat er gebeurt deze weken, een zonnewending, een jaarwending, een conjunctie en corona… Het is een hoop om te verwerken voor iemand die al maanden verstoken is van veel sociaal verkeer. Ik keek uit naar wat een hemels hoogtepunt in deze eenzame weken had moeten worden, de conjunctie van Jupiter en Saturnus. Door het raam in mijn schemerige werkkamertje zag ik ook die climax in het water vallen. En waarom weet ik niet, maar plots moest ik denken aan de Bugarach, de mytische berg die desolaat en dreigend naast de eeuwige Canigou op me wacht, elke zomer weer als we naar de Corbières trekken. Acht jaar geleden, op 21122012 werd deze stenen reus bestormd door journalisten en mensen die ervan overtuigd waren, volgens de Maya kalender zou die dag de wereld vergaan. Op deze indrukwekkende, heilige berg waren ze beschermd tegen alle onheil, zo vertellen de legendes. De dag ging zonder noemenswaardige problemen voorbij maar elk jaar als we er passeerden, ving hij mijn blik en bleef ik hem betoverd aankijken. Ooit zou ik die berg op gaan, veelbelovend lonkte hij me toe. Jaar na jaar reden we in ons autootje de reus voorbij tot de laatste keer. Jaar na jaar had zich in mijn lijf een vreemd fenomeen opgebouwd: bij elke stijgende weg ging mijn hart sneller slaan. Bij elke kronkel werd mijn ademhaling benauwder en bij elke haarspeldbocht werd mijn keel dichtgeknepen. Op één of andere manier werden ook mijn ogen geïnfecteerd want ze zagen enkel nog angstaanjagende ravijnen naast de weg en hoe smaller het pad werd, hoe dieper de kloof werd die er naast lag. Zelfs een stralende zon en een hemelsblauwe lucht konden daar niets aan verlichten. De tocht naar boven werd een vreselijke klim vol dreigend gevaar. Het moest ervan komen, het laatste jaar werd het jaar teveel. We reden aan een slakkengang naar boven. Met mijn kaken dichtgeklemd en binnensmonds tot vijfduizend tellend, zag ik dat een reusachtige tractor onze richting uitkwam, we moesten aan de kant. Nauwgezet manoeuvreerde de tractor tussen ons en de rotswand door, een prachtige vertoning waarschijnlijk maar achter mijn dichtgeknepen ogen zag ik alleen maar laaiend rode paniek. Nog een paar honderd meter hield ik het vol, toen rolde ik, onder luid gemopper van mijn chauffeur uit de auto en merkte half huilend op dat hij maar alleen naar boven moest rijden, ik ging te voet terug. Zeven kilometer naar beneden, dat moest te doen zijn. Verbeten stapte ik, vloekend op mezelf en in een mist van tranen. De woede deed me er een aardig tempo op nahouden en al snel naderde ik de tractor met de wegenwerkers. De bruinverbrande, onverzorgde wegenwerkers bekeken me alsof ik een gestoorde was in mijn korte broek en lichte schoentjes op een smalle bergweg. Ik stak hen langs links voorbij en draaide mijn hoofd woedend opzij. Dat had ik beter niet gedaan. Voor ik het goed en wel besefte, schoot een oneindige dankbaarheid voor mijn jaren aikidotrainingen door mijn hoofd. Ik had er leren vallen en dat kwam me nu goed van pas. In een reflex stak ik de zijkant van mijn hand vooruit en dat voorkwam dat ik plat met mijn gezicht in de nog warme teer terecht kwam. Over mijn volledige lengte lag ik in een gat dat net opgevuld was met teer. Van boven tot onder zat mijn halve lichaam vol met een gore, plakkende zwarte massa. Ik voelde dat de straatwerkers zich inhielden, het lachen zou pas komen als ik voorbij was. Het pek gleed van mijn armen en mijn benen maar dapper stapte ik voort. Tot ik het bloed tussen het zwart zag stromen en ik huilend naar mijn chauffeur belde. Hij mopperde nog wat weerbarstig maar toen hij me wat later terugzag en iets mompelde over veren, was het hek van de dam. In mij explodeerde een razende woede, midden op de weg rukte ik ongegeneerd de drekkige kleren van mijn lijf. Het kon me niet schelen dat ik in mijn onderbroek op die heilige berg stond. Ik vond in de koffer van de auto iets draagbaars, trok het voorzichtig aan en wilde verder stappen. ‘En nu stap je in!’, zei mijn chauffeur bevelend,’ doe je ogen dicht en zwijg!’ De angst dat de pek in mijn huid ging opdrogen, deed me gehoorzamen. Snel waren we in de kleine dorpskern, waar de plaatselijke apotheker geen manier kon bedenken om de ‘goudron’ van mijn lijf te krijgen. Haar ‘olala’ hielp ook niet. Bij het hotel waar we overnacht hadden, kwam de oude klusjesman ongerust naar ons toe gelopen. Hij herkende ons en zag meteen wat er aan de hand was. ‘Olala, du goudron!’ mompelde hij. Dat hielp. Zo snel als zijn kreupele benen het hem toelieten, haalde hij alle olie uit de middeleeuwse lampen die tegen de muren hingen. Met een klein emmertje en een vod kwam hij naar ons toe. Twee mannen hebben bijna een uur aan mijn benen en armen geschuurd en gewreven met olie en terpentijn. Ik mocht nog gaan douchen en redelijk schoon konden we verder rijden. Voorbij de Bugarach. De mystieke, kalkstenen piek had zijn charisma verloren. Ik zal hem nooit meer onbevangen en geïmponeerd bekijken. Het is maar een hoop stenen, de rest is marketing. Net zoals die conjunctie van vandaag.